'Ik had af en toe wel een engeltje nodig'

Emmeloord

Willem Cornelis van Eijk uit Emmeloord vierde zaterdag zijn honderdste verjaardag. Hij had af en toe wel een engeltje nodig om de eeuw vol te kunnen maken.

De eerste keer was dertien jaar geleden toen de in Charlois, een dorp dat opgeslokt is door Rotterdam-Zuid, geboren zoon van scheepsklinker Van Eijk in een rolstoel terechtkwam. Hij verloor door knellende bloedvaten en een slagaderlijke bloeding zijn been. Hij wijst in de keuken van zijn woning aan de Zwanenbalg naar zijn lies. ‘Het werd er warm en allemaal bloed. Het was kantje boord. Ik had bijna geen bloed meer’, blikt hij terug. De andere keer dat het engeltje op zijn schouder zat, was op 5 augustus 1944 bij Wijster. ‘Ik was vanuit Rotterdam met mijn zus met de trein op weg naar Winschoten. Eerst was er een luchtalarm bij Meppel, maar bij de tweede bij Hoogeveen werd het menens. De trein werd beschoten door de Amerikanen. Wij doken in een greppel en zagen dat ze de locomotief kapotschoten en later ook de wagon. Het was me een klereherrie. Er kwamen 43 mensen om het leven bij deze aanslag.’ Zwarte Zaterdag Het drama ging de geschiedenis in als Zwarte Zaterdag, vertelt Van Eijk. Een maquette aan de Wijsterseweg herinnert aan het drama. Het bombardement op Rotterdam had hij niet van nabij meegemaakt.’Ik was toen reservist en zat in Leiden.’ Bij een razzia werd hij later opgepakt, waarna hij tewerkgesteld werd in Duitsland. Na de lagere school ging de jonge Wim als leerjongen naar een schoenmaker. ‘Ik heb er een poosje gewerkt, maar ik heb er nauwelijks een schoen gezien. Tegenover de schoenzaak zat een veel betere. Die had de klandizie.’ Hij probeerde het daarop bij een andere schoenmaker, maar daar stak hij ook weinig op. ‘Die schoenmaker leefde nog in de vorige eeuw en had geen machines.’ Samen met zijn broer Simon (hij kwam uit een gezin met acht kinderen, cw) startte hij op 18-jarige leeftijd een eigen schoenenzaak in Charlois. ‘Pas na de oorlog ging dat echt draaien.’ De drukke middenstander had mede daardoor geen tijd voor de liefde. ‘Ik hield ook van mijn vrijheid, dat was me goud waard.’ Toch zou zijn hart nog eens gestolen worden. De wijkverpleegkundige die zijn moeder verpleegde maakte een einde aan zijn vrijgezellenbestaan. ‘Bij mijn moeder heb ik haar leren kennen.’De van oorsprong uit Meppel afkomstige Riek Kombrink trouwde op haar 42ste met de toen 55-jarige Wim. Rentenieren Het stel verhuisde bijna nog in de wittebroodsweken naar een arbeiderswoning aan de Luttelgeesterweg in het buitengebied bij Marknesse. Daar werd zoon Hendrikus geboren. ‘Dat was ook wel een wonder, hoor’, kijkt Wim terug. Inmiddels is hij de trotse grootvader van Ilse. De verhuizing naar de Noordoostpolder betekende dat het pasgetrouwde stel al rentenierde nog voordat ze vader en moeder werden. ‘De schoenen werden moderner in de zin dat ze nauwelijks nog onderhoud nodig hadden. Daar kon ik niet in mee. Er werd me nog een zaak in Friesland aangeboden, maar ik zag daar vanaf. Het huis kochten we hier voor een prikkie. We hadden een flinke tuin en daar verbouwden we onze groenten. Dat werd onze manier van leven. We konden er goed van leven en hielden zelfs nog over om aan de buurvrouw te geven.’ ‘Ik had natuurlijk al wel wat centjes opzij gezet. Het was geen vetpot, maar het kon goed.’ Tot 2008 woonden ze in het buitengebied. ‘Maar ook hier had ik de aardappelen zowat naast de voordeur staan.’ Zijn Riek ging overigens niet mee naar de woning aan de Zwanenbalg in Emmeloord. Ze leed aan dementie en woonde tien jaar in Talmahof. ‘Ik ging dagelijks naar haar toe met de rolstoelbus.’ Drie jaar geleden overleed ze. De honderdjarige woont nog altijd zelfstandig en heeft daar ook niet veel hulp bij nodig. Hij heeft een huishoudelijke hulp en iemand die hem dagelijks een kous aandoet. Zoon Hendrikus doet de boodschappen. ‘Ik rol desnoods zelf uit mijn bed, ik kan mezelf wassen en ik kook ook nog hoor. Verder kom ik de dag wel door met lezen en muziek luisteren. De dokter zegt dat ik wel 108 kan worden, maar dat weet je nooit. Het kan natuurlijk zo afgelopen zijn.’ Cees Walinga

Auteur

redactie