Den Hartigh: ‘We moeten terug naar het gemengde bedrijf’

EMMELOORD

Niet zozeer de hybride teelt (uit zaad) vormt een bedreiging voor pootgoedtelers, maar de intensieve teelt en grondgebonden ziekten. Hoe kun je dit tegengaan? ‘Meer extensief telen en een betere samenwerking tussen akkerbouwers en veehouders.’ Dat zegt Jacob Eising van aardappelhandelshuis Den Hartigh uit Emmeloord.

Door Donna Oevering

‘We hebben hier in de polder een fantastisch gebied met gezond pootgoed. De hybride teelt vormt niet direct een bedreiging op de korte en middellange termijn’, zegt hij. Simpelweg omdat de aardappel een homogeen product is, maar niet als het uit zaad wordt gekweekt. Omdat elk zaadje dan van een ander ras is. Er speelt nog iets anders mee. ‘Een zaadje heeft minder reserve dan een gezonde poter. Als we kijken naar het klimaat en de grote weersverschillen dan kun je dergelijke tegenslag prima opvangen met een gezonde poter.’

Bodem kan niet herstellen

Eising maakt zich wel zorgen over de intensieve teelt en de grondgeboden ziekten die hier onlosmakelijk mee verbonden zijn. ‘Als je op de stoel van de teler zit, dan snap je wel dat hij zwaardere machines gebruikt. Door de schaalvergroting en efficiency wordt er intensiever geteeld.’ De bodem in Nederland kan dat volgens Eising eigenlijk helemaal niet aan, maar de druk om te presteren is erg groot. Door de zachte winters krijgt de grond bovendien geen tijd om te herstellen. In heel veel andere landen worden er om de zes, zeven jaar aardappels geteeld. In Nederland is dat om de drie, vier jaar.

De grond wordt niet alleen gebruikt om aardappels te telen, maar ook andere producten die in de bodem groeien: lelies, suikerbieten, uien en wortels. Al die factoren maken dat de grond uitgeput raakt.

Extensief telen

De oplossing? ‘Daar maak je jezelf niet populair mee’, begint Eising voorzichtig. ‘Maar wij van Den Hartigh zien geen andere oplossing dan extensief telen. Met daarnaast een betere samenwerking tussen de verschillende sectoren, zoals akkerbouw en veeteelt.’

Dat betekent in de praktijk dat een akkerbouwer zijn buurman, die veehouder is, bij zijn bedrijf betrekt. De veehouder kan (een deel) van zijn mest kwijt, kan gras telen en heeft een grotere oppervlakte die meetelt voor zijn koeien. De akkerbouwer verbetert op zijn beurt zijn grond, waardoor ziektes minder snel een kans krijgen.

‘Terug naar het ouderwetse gemengde bedrijf mét gps en andere moderne hulpmiddelen van nu. Maar met een ecologisch systeem dat veel beter is voor het milieu.’ Volgens Eising zijn er inmiddels al verschillende voorbeelden van dit soort samenwerkingen. ‘De overheid kan hierop inspelen door de regelgeving hierop aan te passen.’