Van den Belts verknocht aan dragracen

NOORDOOSTPOLDER

Stel je voor: binnen één seconde van nul naar honderd km/uur en een topsnelheid van boven de 300 km/uur. Ongehoord, maar voor Kars en Jeroen van den Belt de gewoonste zaak van de wereld.

‘Je moet scherp zijn, over goede reflexen beschikken en precies weten wat je doet’, zegt Jeroen van den Belt (45), de oudste van de vier Van den Belts die aan dragracen doen, want daar hebben we het over. De uit de Verenigde Staten overgewaaide sport kent een auto- en een motortak. Alle leden van Dragraceteam VDB Works zijn fervent motorcoureur. Demi (16), dochter van Jeroen, Kars (37), broer van Jeroen en neef Erwin (36) maken allen deel uit van het team, dat wordt gecompleteerd door een coureur uit Dordrecht en een Duitser.

Jeroen en Kars zijn de meest ervaren dragracers. Jeroen heeft een bedrijf voor auto- en motorsport in Kuinre en is de man met de meeste technische know-how. Bouwt eigenhandig schitterende motoren. Zijn werkplaats is het kloppend hart van het team. Hij nam Kars op sleeptouw en nu behoren ze tot de Europese top. Ze grossieren in podiumplaatsen en proberen constant grenzen te verleggen. Erwin is in hun slipstream bezig ook zo’n mooie carrière op te bouwen. De volgende generatie timmert ook al aan de weg. Demi haalt nog geen 300 km/uur, maar dat is wellicht een kwestie van tijd.

Wat is dragracen eigenlijk? Het is een sprintrace van 402 meter, een kwart Engelse mijl. Wie is vanuit stilstand het snelst over die afstand? Eén tegen één, wie verliest ligt uit de wedstrijd. De burnout, met rokend rubber tot gevolg, warmt de banden lekker op. De familie Van den Belt is veel tijd kwijt aan het zelf maken en bedenken van nieuwe snufjes en onderdelen. Dat is deels ook uit nood. Kars: ‘Anders is het niet te doen.’ Dragracen is een nogal dure sport. Jeroen: ‘Voor een goed brommertje ben je zo’n 50.000, 60.000 euro kwijt.’ Nederland telt zo’n 250 dragracers, die aan wedstrijden meedoen.

Stijgende lijn

Het is een kleine wereld. En aangezien het een dure sport is, sloeg de recessie in dragraceland hard toe. Het aantal dragracers nam drastisch af. Nu zit er weer een stijgende lijn in. In Nederland is maar één, niet eens permanente, baan. Locatie: het oude vliegveldje van Drachten. Eén keer per jaar rijdt de familie Van den Belt een thuiswedstrijd, op een baan van 850 meter. Kars: ‘Als je 250 km/uur rijdt, rijd je 75 meter per seconde. Ik haal snelheden van ruim boven de 300 km/uur. Je moet echt het gas op tijd dichtdraaien om net op tijd voor het gras tot stilstand te komen.’

De rest van het seizoen, van april tot oktober, trekken ze Europa in; vaak naar Engeland en Duitsland en ook naar het noorden. ‘In Zweden en Noorwegen heb je heel mooie banen’, weet Erwin, die druk aan het sparen is voor een nieuwe compressor. De Emmeloorder rijdt volgend jaar geen wedstrijden om een jaar later te proberen de overstap naar een hogere klasse te maken. Net als Kars, die de gang naar de koningsklasse wil maken. Kars, net als Jeroen Nederlands kampioen in zijn klasse, wil bij de Top Fuels zijn geluk gaan beproeven. ‘Ja, dat gaat me zeker lukken.’

Jeroen vond dragracen in het begin maar een domme sport, maar kwam er al snel achter dat hij een verkeerd beeld had van zijn inmiddels innig geliefde, uit de hand gelopen hobby. Om steeds harder te gaan, de grenzen te verleggen, naar een hogere klasse over te kunnen stappen, daar komt veel bij kijken. Technisch inzicht en vaardigheid, over de juiste competenties beschikken, het psychologische spelletje tijdens de startprocedure: alles moet samenkomen. ‘Je probeert van alles uit en als het lukt, heb je veel eer van je werk.’

Groep sponsors

Extra probleem volgens Jeroen: ‘We kunnen niet oefenen. Wij moeten trainen tijdens de wedstrijden.’ Dragracen is in zeker zin ook een paradoxale sport. ‘Je pompt er steeds meer geld in om steeds korter te racen.’ De Van den Belts willen zo veel mogelijk onafhankelijk opereren, al zijn ze dit jaar voor het eerst in zee gegaan met een groep sponsors uit Emmeloord, Nagele, Kuinre, Sint Jansklooster en Spanga. Die bedrijven hebben eraan bijgedragen dat de Van den Belts een vrachtwagen zo konden laten ombouwen, dat de motoren tegelijk vervoerd kunnen worden. Drukt enorm de kosten.

Soms komt het voor dat een dragrace op het laatste moment wordt afgeblazen. Twee druppels regen zijn daarvoor al genoeg. Veiligheid voor alles. Dat zorgt voor hogere inschrijvingskosten, maar Erwin, Kars en Jeroen laten zich nergens door afschrikken. Ook als de weersverwachting er niet goed uitziet, reizen ze toch af. ‘Dan maar lekker dronken worden daar.’ Ze houden enorm van de sfeer en cultuur in het dragracewereldje. ‘Bij autocrossen komen veel boeren. Bij dragraces komt wat ruiger volk kijken, maar de sfeer is veel gemoedelijker dan bij andere motorsporten’, vindt Jeroen.

De Van den Belts zijn helemaal verknocht geraakt aan het dragracen. Ze vinden het een uitdaging om steeds beter te worden in hun sport, doen bijna alles zelf, maar ze zijn ook verslaafd geraakt aan alles er omheen. Kars, inwoner van Marknesse, roemt de gezelligheid en saamhorigheid. ‘Die weekenden samen: je laat alles achter je, bent met je team en vrienden op pad, bent met z’n allen bezig met één sport.’ Veel verdienen doe je er niet mee. Jeroen: ‘De winnaar krijgt bloemen en eeuwige roem. Soms een paar honderd euro, niet eens genoeg om de diesel voor de vrachtwagen te betalen.’

Permanente baan

Hoewel de dragracewereld een soort nichemarkt is, waarin je hard moet sappelen om succesvol te zijn, wetende broers Jeroen en Kars uit ervaring, dat er ook goed geld in te verdienen is. Kars: ‘Op Hockenheim in Duitsland worden jaarlijks de NitrOlymX georganiseerd. Daar komen 80.000 mensen op af. Verdienen ze meer aan dan aan de Formule 1-race daar.’ Jeroen is bereid z’n hele hebben en houwen ervoor opgeven om een permanente baan in Nederland op te zetten. ‘Ga ik in een caravan wonen. Het is een kwestie van de lange adem, maar ik weet zeker dat dragracen in Nederland dan een megavlucht neemt en dat ik er een goede boterham mee kan verdienen.’

Harry de Ridder