NAK: 'Welkom in het grootste aardappel-lab ter wereld'

Emmeloord - ​We zijn op bezoek bij de NAK in Emmeloord. Wat gebeurt hierbinnen eigenlijk? Wat is de NAK, wat doet deze organisatie precies? We krijgen een rondleiding van Jan Eggo Hommes. Welkom in het grootste aardappel-laboratorium ter wereld.

Door Alexander Drost

Een vriendelijke begroeting, een stevige hand. We laten geen tijd verloren gaan en beginnen direct aan de tour door het gebouw. Gelijk begint Hommes, zelf procesmanager, enthousiast te vertellen. Hij en collega’s zijn het wel gewend om mensen een excursie te geven door de vele de gangen van het gebouw. Met grote regelmaat komen hier geïnteresseerden vanuit het buitenland, maar ook studenten vinden het machtig interessant om te kijken wat de NAK allemaal te bieden heeft. Een standaard riedeltje is het zeker niet, per persoon of groep wordt een interessante rondleiding gegeven.

Aan de wanden van de eerste gang, net voorbij de ontvangsthal, hangen fraaie foto’s. De platen zijn gemaakt door Emmeloorder fotograaf Pim van der Maden en laten in een oogopslag zien welke werkzaamheden plaatsvinden. De NAK staat voor Nederlandse Algemene Keuringsdienst voor zaaizaad en pootgoed van landbouwgewassen. Deze wettelijke taak wordt vervuld in opdracht en onder toezicht van het ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit. Medewerkers observeren, registreren en documenteren alles. Gezocht wordt naar virussen, besmettingen en afwijkingen in zaaizaad en pootgoed.

Monsters

Even verderop staat een medewerkster in een afgesloten ruimte. Een grote, hightech machine is per dag uren bezig om monstertjes te controleren. ‘Hier zijn we naar op zoek’, zegt Hommes. ‘600cc grond. Dat spoelen we in deze machine. Dit blijft er uiteindelijk over.’ Hommes wijst naar een foto op de wand. Wat zien we? ‘Organisch materiaal dat in de grond zit. Tussen dat materiaal zitten kleine bolletjes. Dat zijn aardappelcysten. Wat we hier zien is een besmet monster.’ Van 55.000 hectare land verzamelt de NAK 150.000 monsters. Die komen in deze machine terecht. Hommes knikt naar zijn vrouwelijke collega, die haar volledige focus op de machine heeft gericht. ‘Met de machine spoelen we de monsters. De grond komt in een glazen pot en daar wordt water aan toegevoegd. Drie mixers zakken daarna in het monster. Water en grond worden gemixt. Na diverse mix- en ruststappen moet het organisch materiaal drijven, bovenop het water. Aardappelcysten gedragen zich hetzelfde als organisch materiaal, dus die komen mooi naar boven drijven. Het materiaal vangen we op. Heel simpel eigenlijk, maar de machine is erg kostbaar en speciaal voor ons ontwikkeld. Het is de enige ter wereld.’

Het organische materiaal wordt vervolgens door experts nader met een microscoop bekeken. ‘Zij tellen het aantal cysten, snijden deze eventueel door en kijken of er een levende inhoud in zit. Een cyste is op zich niet heel spannend, maar het gaat om mogelijk de aaltjes die daarin overleven. Een cyste met levende aaltjes kan 12 jaar lang overleven. Dat is best lang’, glimlacht hij. Is er levend materiaal gevonden, dan wordt met DNA-technieken gekeken om welk soort het gaat. ‘De teler en de NVWA krijgen dan direct de uitslag.’ Daarop kan een plan worden opgesteld om van de besmetting af te komen. De werkwijze binnen de NAK is zo goed en gedocumenteerd, dat er nooit sprake kan zijn van verwarring, vergissing of discussie over een monster, geeft Hommes aan.

Luizen

We lopen door en zien een foto van luizenvangbakken. Daar staan er 40 van door heel Nederland, zo leren we. ‘Luizen brengen virussen over van de zieke plant naar de gezonde plant. Daarvoor hebben we in Nederland een monitoringprogramma lopen. We delen de resultaten van de vangbakken met alle telers en de aardappelhandelshuizen. We publiceren daar ook regelmatig over.’ Medewerkers van de NAK zijn vorige week begonnen met het bemonsteren van oppervlaktewater. Wat voor problemen doen zich daarin voor? ‘Bruinrot’, vertelt Hommes resoluut. ‘In opdracht van de NVWA nemen we zo’n 1300 monsters. We doen een ronde in juni en augustus.’

Momenteel zijn keurmeesters bovendien in het veld om ziektes te beoordelen. Zij letten op virusziekten, bacteriën en rasechtheid (heeft het ras de karakteristieken van dat ras ook in zich?) van het pootgoed. Daar is een paar uiterst scherpe ogen voor nodig, want er zijn zo’n 400 soorten rassen. Afwijkingen kunnen natuurlijk voorkomen. ‘Maar we hebben overal toleranties voor. Hoe hoger de klasse, hoe kleiner de tolerantie is, hoe lager de klasse, hoge hoger de tolerantie.’

Bruin- en ringrot

Tijdens nacontrole, als pootgoed al een flink proces heeft doorwandeld, wordt ‘t in het lab andermaal onderzocht. Op piekmomenten in september lopen er wel 70 extra mensen rond. Zij voeren allerlei checks uit om het pootgoed te controleren. Wanneer er sprake is van bruinrot – het komt niet vaak voor – dan gaan de belletjes rinkelen. Dat kan zware consequenties hebben voor een pootgoedteler en er volgt grootschalig onderzoek. Hommes: ‘Oppervlaktewater is de grootste bron van bruin- en ringrot. Het is verboden om dat te gebruiken voor beregening. Hier in de Noordoostpolder gebruiken we daarvoor grondwater. Er is geen pootgoedteler die zo’n besmetting wil oplopen. Er is, als het gebeurt, nooit opzet in het spel. Daarvoor is Nederland een te grote exporteur. We controleren heel intensief op bruin- en ringrot. We moeten voorkomen dat een besmetting ontstaat en verspreidt. We geven hiermee ook aan dat we intensief toetsen. Wij geven garanties als land.’

Preventief handelen

Enthousiast lopen we verder. Het aantal ruimtes hierbinnen lijkt even ontelbaar. Dat kan komen door de stevige pas, want in korte tijd is er nogal wat te zien. Wat zijn eigenlijk de grootste gevaren voor pootgoed? ‘Er zijn altijd diverse bedreigingen, maar met vakmanschap en goede teelt zijn die heel goed te managen’, antwoordt Hommes. ‘Het is niet zo dat er veel bedreigingen rondsluipen en het allemaal ongrijpbaar is en het je overkomt. Op heel veel zaken is heel goed te reageren. Juiste rassen, chemie, goed vakmanschap van de teler, met een goed ingedeeld bouwplan, kun je veel voor zijn. Heel veel is preventief. Dat begint al met de keuze voor een bepaald ras.’

Grote waarde

Is de NAK eigenlijk een soort boeman? Nee, begrijpen we binnen een seconde, terwijl we ons langzaamaan richting kantine begeven voor een bakje koffie. ‘Heel veel telers zijn er ook echt voor. Zij maken de kwaliteit, wij controleren die. Het NAK-label dat aan die zak hangt is in het buitenland van buitengewoon grote waarde. Als NAK voegen wij waarde toe door onze keuringen en de manier waarop wij alles hebben ingericht. Het is ook een kracht van Nederland, de manier waarop de handel, de telers en de keuringsdiensten op elkaar zijn ingespeeld. Hierdoor kan er heel snel worden geschakeld en kan pootgoed heel snel worden klaargemaakt voor export. Iedereen voelt de urgentie om snel te kunnen handelen wanneer pootgoed op export kan. We zijn logistiek gezien veel beter dan andere landen, zie het als een soort VOC-mentaliteit.’