Noord-Hollanders namen de tulp mee

Creil - Het is gevaarlijk filosoferen over wie nu de eerste tulpenboer was in de Noordoostpolder. Volgens Margriet Wiersma, dochter van tulpenteler Klaas Timmerman, zou de eer wel eens kunnen zijn voor de familie Visser aan de Oosterringweg.

‘Ik durf het niet met zekerheid te zeggen, maar toen mijn vader met tulpen begon, had Visser ze al.’ Klaas Timmerman werd geboren in Broek op Langedijk en groeide in Noord-Holland op in een gezin van een tulpenteler. In 1947 solliciteerde hij bij de directie en kreeg een plek in kamp Marknesse. ‘Hij is daar al meteen begonnen met bollen, zegt zijn dochter. ‘Hij zette de eerste tulpen samen met aardappelveredelaar Jopie Schild.’

In 1955 kwam hij op een boerderij van 7 hectare aan de Blankenhammerweg waar hij samenwerkte met bollenboer Jan Braas en 1,5 hectare bollen had. Uiteindelijk verhuisde Timmerman in 1966 naar de nieuwe Flevopolder. Het verhaal van Margriet klinkt tulpenboer Frans Ebbers uit Creil wel geloofwaardig in de oren. ‘De tuinders in Marknesse en Ens waren er vroeg bij’, vertelt de zoon van een tulpenkweker die met zijn gezin vanuit Gelderland naar het nieuwe land kwam op een kavel aan het Creilerpad.

‘Het waren namelijk ook de Noord-Hollanders die de tulpenteelt meenamen naar de Noordoostpolder. De tulpenteelt in Marknesse was erg arbeidsintensief door het planten en oogsten. Dit was daar handwerk vanwege de zware kleigrond. In Ens werden al vroeg machines gebruikt voor deze klus. De mechanisatie heeft zich verder ontwikkeld. Nu worden tulpen steeds meer in netten geteeld in alle hoeken van de polder.’

De tulpenvelden waren in de begintijd van de polder overigens ook niet groot, weet Ebbers. ‘Het ging meestal maar om een paar honderd roe (700 roe is 1 hectare). De tuinbouwbedrijven waren niet groter dan hooguit 5 hectare.’

Akkerbouwers die uit andere windstreken in de polder neerstreken, zagen ook wel wat in de bollenteelt. Ebbers haalt zijn scriptie uit 1971 erbij, die hij schreef voor de Rijks Middelbare Tuinbouwschool voor de Bloembollenteelt in Lisse. ‘In de beginjaren ’60 zijn verschillende landbouwers met de teelt begonnen. Dit was voor velen een uitkomst. Door de slechtere landbouwprijzen en om onrendabele uren productief te maken zocht men naar andere teelten. Zo breidde het oppervlak tulpenakkers gestaag uit.’ Dat was precies de reden ook waarom zijn vader in 1962 begon met tulpen, eerst op 10 are. 

Ebbers noteerde in zijn scriptie de groei van de bollenvelden: 40 hectare in 1961, 140 hectare in 1965 en 300 hectare in 1971. In dat jaar werd op 300 bedrijven de tulpenteelt uitgeoefend, waarvan 240 bedrijven een landbouwbedrijf zijn. De lichte zavelgronden rond Rutten, Creil en Espel zijn ideaal voor de tulp. Het is niet vreemd dat de teelt zich vooral daar concentreert en Creil het centrum van de bloembollenteelt is geworden, met de jaarlijkse Bloembollen Vakdagen.

Maar dat die boeren in de nieuwe polder zich zo roerden in de bollenteelt, werd aan de overkant van het IJsselmeer met argusogen gevolgd. ‘Je werd ook niet zomaar bollenboer. Mijn vader ging met nog drie bollentelers (2 uit Creil en een uit Rutten) voor een cursus naar Hoorn om een zogenaamd bollenbrevet te halen.  Je kon alleen bollen telen als je een diploma en licentie had’, vertelt Ebbers. ‘Hij is twee jaar in opleiding geweest.’

En voor vragen over de teelt konden de bollenboeren ook altijd terecht bij wijlen Maarten Bakker die werkte voor het Consulentschap voor de Tuinbouw voor Overijssel en IJsselmeerpolders in Emmeloord. ‘Die man was heel belangrijk voor de telers. Bakker heeft de bloembollenteelt in de Noordoostpolder van de grond af mee helpen opbouwen’, stelt Ebbers. 

In 1962 had Ebbers zijn eerste contract en aan buurman Pauw had hij een goede leermeester, vertelt Frans. De schuren van de akkerbouwers gingen in die jaren niet op slot, maar Frans weet nog dat met de komst van de tulpenbollen de zware kettingen van de schuurdeuren weldegelijk gebruikt werden om het nieuwe goud te beschermen. ‘Het plantgoed was zo duur! Bovendien was de teelt eerst heel moeilijk. Het waren beslist niet de beste jaren, maar het leverde altijd nog meer op dan tarwe en bieten.’

Aanvankelijk was er vooral handel in de bollen, maar de laatste jaren zijn de bloemen veel belangrijker geworden, stelt Ebbers. ‘Je kunt nu overal tulpen kopen. Het is een heel gangbaar artikel geworden. Voor 2,50 euro koop je al een bosje tulpen, terwijl je jaren geleden nog een tientje in guldens betaalde. Het product is veel goedkoper geworden. Dat heeft alles te maken met de efficiency en schaalvergroting in de teelt. Met 3 lagen hoog met de juiste lampen erbij kun je nu veel meer telen.’

De nog steeds groeiende belangstelling voor de jaarlijkse tulpenroute waarvan de basis al in de jaren zestig werd gelegd bewijst dat de tulp niet meer weg te denken is uit de polder. Van heinde en verre, zoals het Mexicaanse gezin op de foto, bezoeken mensen de bollenvelden. In 2017 was de omvang van het bloembollenareaal in Noordoostpolder 2692 hectare. Dat is bijna het tienvoudige van toen Frans Ebbers zijn scriptie schreef voor de Tuinbouwschool in 1971.

Tekst: Cees Walinga