Eensgezind, vroeger en nu

Hoe verschillend was het onderwijs eigenlijk bij de start van de Noordoostpolder ten opzichte van nu? We nemen een duik in het verleden van het primair onderwijs in de Noordoostpolder met Truus Vegterlo, directeur van de Paulusschool in Rutten. We ontdekken grote verschillen én mooie overeenkomsten.

De kinderen van de allereerste polderpioniers kregen in 1943 les in de barakken bij Ramspol. Met zijn twaalven. Het schooltje werd later overgebracht naar het arbeiderskamp Ens II in een stenen barak. Iedereen zat bij elkaar in de klas, van groot tot klein en van protestants-christelijk, rooms-katholiek tot openbaar. Er was geen onderscheid en iedereen kende elkaar. Ouders zetten schouder aan schouder de schoppen in de grond, allemaal voor het en ‘hun’ nieuwe land.  

Toen de Noordoostpolder zich langzaam vulde met polderdorpen, ontstonden ook de eerste scholen. Eerst waren het nog allemaal openbare scholen, later trad de verzuiling in. Uiteindelijk was er in bijna elk dorp een protestants-christelijke, rooms-katholieke en openbare school te vinden. Het ‘samen’ verdween. Iedereen richtte het onderwijs voor de eigen zuil zelf in. 

Het onderwijs van toen werd vooral gekenmerkt door rechtop zitten in houten banken, krijtjes en kroontjespennen. Je leerde Nederland kennen via een ouderwetse landkaart, kaatste ballen tegen de muur en veroverde land met mesjepik met een aardappelschilmesje. En met de meester achter het traporgel leerde je één keer per week met alle kinderen van de school kerkliedjes zingen. 

Kroontjespennen & groene flanelborden
Het is 1957. In Luttelgeest wordt Truus Vegterlo (toen Hilderink) geboren. Met haar vier jaar ging ze naar de St. Jozefschool. Dit werd later de Klipper en is nu samenwerkingsschool de Floreant. Truus is al enige jaren directeur van de Paulusschool in Rutten, ook een samenwerkingsschool. Samen met haar halen we herinneringen op over haar schooltijd en kijken we naar nu. ‘Ik heb een hele leuke schooltijd gehad. Ik was een vroege leerling en deed mijn best om de lessen goed te volgen. Daar had ik in het begin nog best wel moeite mee, vooral met rekenen. Ik moest hetzelfde werk doen als mijn klasgenoten die soms wel een jaar ouder waren. In klas 2 trok dat gelukkig bij. Passend onderwijs kenden we toen nog niet. Dat is tegenwoordig absoluut anders. Als school kunnen we leerlingen nu veel beter een steuntje in de rug geven of extra uitdagen.’

Bij de handwerkjuf maakte Truus met haar klasgenootjes zelf een inktlap van allemaal vilten lapjes, met een knoop in het midden. ‘Daar konden we tijdens het schrijven onze kroontjespen dan aan afvegen. Stempels kreeg je toen als beloning. Had je goed je best gedaan en veel stempels verdiend, dan mocht je met rode inkt schrijven. Meester schonk dan je inktpotje helemaal vol met rode inkt vanuit de Talensfles. Dat was een bruine fles met een tuitje eraan.’ Kijken we naar nu, dan zijn stickers of een gezamenlijke activiteit veruit favoriet als beloning. En hebben we het over het vertellen van verhalen, dan werd daar vroeger een groen flanelbord met vilten figuren voor gebruikt. Scholen zetten daar nu regelmatig filmpjes via het digibord voor in. 

Fietsen en naar de kerk
Of je naar een kerk ging of niet speelde in de jaren vijftig en zestig een grote rol in iedere gemeenschap (verzuiling). Ook voor, tijdens en na schooltijd was dat duidelijk merkbaar. Truus vertelt: ‘In de ochtend fietsten we naar school met een vast groepje kinderen. Niet met iemand van een andere school. Dat deed je niet. Je zei niet eens “hallo“. Dat kun je je nu niet meer voorstellen.’ 

‘Voordat de lessen begonnen, gingen we soms eerst naar de kerk. 
Je ontbijt had je mee en at je op school aan de houten werkbank. We werden nauwlettend in de gaten gehouden. Meester en juf hielden namelijk bij of je naar de kerk was geweest’, aldus Truus. 
‘In de zomer fietsten we tussen de middag weer naar huis. Dan aten we snel onze warme maaltijd en fietsten daarna direct weer terug naar school. Dat was racen geblazen. Je kon het net halen binnen een uur. Dat haasten mocht de pret niet drukken. Onderweg hadden we ontzettend veel lol!’

Gelijke kansen
Waar vroeger juffen en meesters aan het roer stonden van het leerproces van hun leerlingen, keert het tij zich langzaam maar zeker. Bij de scholen van Aves krijgen leerlingen een steeds grotere rol in de eigen ‘leerloopbaan’. 

Met het kindportfolio bijvoorbeeld, krijgen leerlingen de mogelijkheid om te laten zien waar hun talenten liggen en waar ze graag aan willen werken. Op veel scholen is er al een leerlingenraad. Op die manier praten de kinderen mee over het reilen en zeilen op school én wordt er geluisterd naar hun wensen of signalen. Gesprekken met de kinderen geeft zowel henzelf als de leerkracht meer inzicht in hun onderwijsbehoeften. Daar waar kan, pakt de school dit samen met hen op door middel van passend en eigentijds onderwijs. Zo worden de kansen om te groeien en zich te ontwikkelen op hun eigen manier voor ieder kind gelijk. 

Samen sterker
Kristiaan Strijker, voorzitter van het college van bestuur van Aves: ‘We zien dat de invloed van de verzuiling vermindert. Door uit te gaan van de kracht van samenwerken ontstaan er steeds meer samenwerkingsscholen. Uiteraard met respect voor de levensbeschouwelijke identiteiten waaruit de afzonderlijke scholen zijn ontstaan. Doordat ze collega’s zijn, is de noodzaak er bijna niet meer om elkaar als concurrent te zien. De scholen kunnen zich nu richten op de eigen onderwijskundige kwaliteiten. Dat biedt kansen!’