Oh oh Emmeloord

Winter

Martin Bril schreef een setje columns en bundelde ze onder de noemer ‘Heimwee naar Nederland’. Ik las er een paar en ontdekte achter in de bundel een index met plaatsnamen. Geen Emmeloord. Wel vond ik de Noordoostpolder, pagina 286. We zagen Martin Bril in zijn Volvo stappen. Via de ketelbrug reed hij de Noordoostpolder binnen. Althans, dat was de bedoeling. Als hij over de brug rijdt ziet Bril een groot binnenvaartschip onder de brug vandaan komen. Waar ik hoopte dat hij vervolgens de Noordoostpolder binnen zou rijden en iets zou schrijven over de omgeving die ik ken, blijft de column hangen bij het schip. Over kranige kerels die het dek zwabberen en vrouwen achter witte gehaakte gordijntjes. Nog een paar zinnen over een wapperende vlag op het achtersteven en de Toyota Starlet op het achterdek, en klaar is Bril. Het aantal woorden alweer aan de max, klaar is de column. De column haalde het einde van de brug niet, de Noordoostpolder werd niet gehaald. De Volvo bleef achter op de vluchtstrook, thuis mailt Bril zijn column naar de redactie. ‘Beste Redactie, hier mijn column voor de krant van morgen. Beste Martin, bedankt voor je column. Leuk die ketelbrug, maar de Noordoostpolder dan? Beste Redactie, geen nood. Doen we de Noordoostpolder een andere keer. Morgen rij ik die brug af en zal ik eens om me heen kijken. Nu ga ik eerst naar het café. Beste Martin, ok dat is goed.

Zo gezegd zo gedaan. De volgende dag reed Martin de polder binnen: “Daar stond ik ineens aan de Domineesweg in de Noordoostpolder. Het was een winterse ochtend. De zon laag aan de hemel, nevels boven de velden, vorst aan de grond. Vijftig meter verderop lag een kleine rotonde met een blauw ANWB-bord. Het vlakke land. De windmolens. Hier en daar bewoning. Even later rondde ik de rotonde en reed ik richting Ens en Kampen. De Domineesweg heet nu Schokkeringweg. Voor me reed een bestelbus van een beddenfirma. Een bord in een weiland maakte de passanten erop attent dat Sinterklaas 15 november aankomt in Emmeloord.”

Van het vlakke land naar de heuvels. Herfstvakantie in de Ardennen. Ik fiets door groen en gebladerte in honderd tinten. Door ochtendkou. Voor dag en dauw over paden en kruimelig asfalt. Mist hangt dromend tussen de bomen. Wolken rustend in het dal. Koude tenen in de afdaling. Fietsend door de herfst dacht ik aan vorst aan de grond. Ik dacht aan Martin Bril aan de Domineesweg. Aan zijn nevels boven de velden. Ik fietste door en dacht aan thuis. Aan een striemende oostenwind in de polder. Afzien op de racefiets. Ploegend langs kale akkers, stoempen op de Domineesweg. Dan door Nagele, geen hond op straat, binnen loeiende kachels. Via de Nagelerweg naar Emmeloord. Het zweet op de rug en dan dampend weer afstappen. Ik dacht aan de winter. Laat ‘m streng zijn. Laat ‘m maar komen.