Hoe Britse vliegers gered werden

Vollenhove - In aanvulling op het artikel over de neergeschoten Lancaster twee weken terug in deze krant, het relaas van de bemanningsleden Cottam en Coyne, die de crash van de neergeschoten Lancaster overleefden. Zij vertellen wat er op de bewuste zondag 30 januari 1944 gebeurde en wat volgde.

Bill Cottam (22) en Paddy Coyne (29) vulden begin mei 1945 hun papieren in met details over de crash. Ook onderhielden ze na de oorlog contact met de mensen die hen hielpen op hun tocht naar de vrijheid, die op 7 augustus 1944 in Antwerpen eindigde. Ze konden gaan bivakkeren in één van Hitlers logementen. Bill Cottam legde in december 2000 zijn belevenissen vast in ‘From Kirkham to Krakov.’

Hitlers logement

Na de crash van de JA702 om 21:49 uur in de Noordoostpolder, gingen beiden naar eigen zeggen op pad. Cottam realiseerde zich meteen dat het die avond geen lekker eten werd: ‘No bacon and eggs tonight.’ Het duo liep na de crash richting Vollenhove, ontmoette drie jongemannen en werd daarna met een ambulance naar Friesland gebracht, wil het verhaal.

De vragenlijst van dokter J. H. Jansen (31) was daarover echter niet eensluidend, zegt WO2 onderzoeker Teunis Schuurman uit Vollenhove. Hij onderzoekt alle crashes in de polder en zocht contact met familie van de helpers Ruud Arnoldi en Paul Crielaard. ‘Henk Crielaard (zoon) stuurde een e-mail en vertelde me dat Paul Crielaard z’n beste pak aan één van de ‘bevrijders’ gaf. ‘Veel helderheid bracht dit contact eerst niet

Werkstuk

Een kleinzoon van Arnoldi had op school een werkstuk gemaakt over de oorlog met een interview met zijn opa. Het werkstuk en de handgeschreven brief van de heer Rudolph Izaak (Ruud) Arnoldi, te Hoek kreeg ik onder ogen.’ Arnoldi’s verhaal stond volledig haaks op de verklaring van Cottam. Ruud Arnoldi gaf mij in zijn brief uit 1995 ook de derde dan nog onbekende man, het was ‘de Groninger’ Engel Sap uit Beerta (Gr.). Dat werkte verhelderend.’

‘Ruud, Paul en Engel waren op zondag 30 januari 1944 uitgenodigd om één van de kampjongens van Urk te bezoeken. Vanuit Emmeloord roeiden ze via het ‘kanaal’ tot ongeveer een kilometer voor Urk. In een klein zijslootje lieten ze het bootje liggen en vervolgden hun weg naar Urk. Na spertijd keerden ze terug toen ze ineens een stem hoorden: “Holländer!” Wat bleek: twee Engelsen zaten in hun bootje. Het roeibootje lag echter op een totaal andere locatie dan het verhaal van Bill deed vermoeden.’

De Groninger

‘Tja, en hoe moesten ze nu terug naar kamp Emmeloord. ‘De Brabander’ was de beste roeier en de Engelsen vergezelden hem. Ruud en ‘de Groninger” baggerden langs het kanaal richting Emmeloord. Cottam en Coyne werden zo goed mogelijk verzorgd met voedsel uit de kampkeuken. Ruud herinnert zich nog de opmerking ”Just like mother used to do” toen hij één van hen met wat extra dekens toestopte.’

Ruud ging de volgende morgen naar dokter Jansen voor hulp, zodat de hoofdwond van Bill verzorgd kon worden. Jansen en de jongens zaten niet in het verzet, maar de dokter wist wel twee goede verplegers in Vollenhove. ‘Afgesproken werd dat wij de Engelsen de volgende nacht te voet naar Marknesse zouden brengen, want men kon niet verder met de ambulance. Er werd afscheid genomen en vervolgens stapten ze in de auto, daarna heb ik er weinig van gehoord’, schreef Ruud.

Wachtmeester Christiaan Alfons Petrus Hermans (Groep Vollenhove) was destijds gedetacheerd in Kamp Emmeloord II. Verpleger Foppe Pier van der Woud (33) uit Sneek en Jacob van Hout (27) (Fa. Kingma) brachten in de nachtelijke uren de Engelsman Cottam en de Ier Coyne naar Jilles Zijlstra (40) naar het Friese Drachtstercompagnie. En dat is een heel ander verhaal.

Misschien duikt de naam nog op van degene die op Urk is bezocht. En kent iemand Mathilde ‘Hilde’ Sap (68), dochter van Engel Sap, uit Haarlem?

Teunis Schuurman (alias PATS) te Vollenhove SGLO-lid en WO2-onderzoeker: www.teunispats.nl/ww2.htm.