Ontheffing voor invoerverbod Rusland was niet gemakkelijk

EMMELOORD - De Nederlandse Aardappel Organisatie (NAO) heeft er alles aan gedaan om het invoerverbod voor pootaardappelen dat Rusland in 2013 heeft ingesteld van tafel te krijgen. Er is wel een gedeeltelijke ontheffing gegeven, maar er waren volgens Jan Gottschall veel inspanningen voor nodig van diverse partijen waaronder het Nederlandse ministerie van Economische Zaken en NVWA. Tot eind mei 2015 is er vanuit Nederland 17.000 ton met een waarde van tussen de 8 en 10 miljoen euro geëxporteerd. ‘Nederland heeft fytosanitaire informatie aan Rosselkhoznadzor, de Russische voedsel- en warenauthoriteit, gestuurd en Russische experts uitgenodigd voor een monitoringsinspectie in Nederland. Rusland wilde de monsters echter in eigen land laten analyseren. ‘De uitkomsten daarvan waren waren voor Rusland afdoende om de grens te openen. . Overigens was dit in het najaar van 2014 ook al het geval. ‘ Met deze nieuwe ronde is er 70 procent meer aan pootgoed naar Rusland gegaan dan het jaar ervoor. ‘

Geen enorme omvang

Gottschall benadrukt wel dat de export van pootaardappelen naar Rusland niet een enorme omvang bestrijkt. ‘Jaarlijks exporteert Nederland tussen de 750.000 en 800.000 ton naar 70 tot 80 landen van de wereld. Op dat aantal is 17.000 ton natuurlijk niet zo’n heel groot aantal. Maar elke ton die we kunnen uitvoeren is natuurlijk wel meegenomen, zeker nu we zien dat er dit seizoen minder export lijkt te zijn geweest naar andere landen.’ Hoe het nu verder gaat met het invoerverbod van pootaardappelen naar Rusland is volgens het NAO koffiedik kijken. ‘Misschien dat we weer zoveel moeite moeten doen om ontheffing te krijgen en misschien valt het wel wat mee.’ Over waarom de Russen opeens vonden dat de aardappelen niet meer ingevoerd mochten worden, kan de NAO niets zeggen. ‘Behalve dan dat de Russen meer inzicht willen in de Europese fytosanitaire situatie en markttoegang voor onder meer coniferen.” Nederland neemt van de totale export van pootaardappelen in de wereld 60 procent voor haar rekening. Die andere landen vinden de kwaliteit zo goed dat ze aanvullende maatregelen niet nodig vinden. ‘