De moeilijke weg van rupstrekkers bij de ontginning van de polder in WOII

Famo rupstrekker met houtgas generator en achtscharige Rud-Sack ploeg. Collectie Bolle

Emmeloord - Bij het ontginnen in de Wieringermeer verdwenen machines en tractoren in de blubber, de grond was te zacht. Om de rupstrekkers niet in de drassige grond te laten wegzakken werden er op de extra brede rupsen nog houtblokken gemonteerd.

“Het is maar dat u het weet”

Voor de Caterpillar fabriek werd er zelfs een film opgenomen, want de trekkers liepen op “houten klompen”. Het waren Amerikaanse Caterpillar benzine rupstrekkers van 15 pk. (Cat fifteen) en de 20 pk. (Cat twenty). Deze rupstrekkers waren intensief gebruikt en hadden al 12.000 tot 14.000 werkuren geleverd. Er was zoveel reparatie aan dat de Directie Wieringermeer voor de benodigde rupstrekkers voor de N.O.P. een beroep op Caterpillar deed voor de aanschaf van de nieuwe Cat D2.

Getorpedeerd

Dit contact dateerde van 1938, dus voor de Tweede Wereldoorlog. De Caterpillar D2 Diesel trekkers zijn nooit aangekomen. Het schip waarmee ze naar Nederland werden vervoerd, is in het begin van de oorlog getorpedeerd. De werklui in de polder moesten het dus doen met de oude Caterpillars uit de Wieringermeer. Die trekkers vroegen steeds meer reparatie wegens uitgelopen lagers, defecte startmotoren, doorgebrande dynamo’s, gebarsten koelwaterpompen, krukassen en cilinderkoppen.

Van de oude 20 pk. Caterpillar benzinetrekkers viel de een na de andere uit. Terwijl door het gebrek aan onderdelen, herstel niet meer mogelijk was. De ontginning in de N.O.P begon halverwege 1941. De Directie Wieringermeer (Noordoostpolderwerken) liet een rupstrekker ombouwen op een gasgenerator. Op het proefstation van de Bataafse Import Mij. in Delft werd een 40 pk Diesel Caterpillar tot turfgas generator omgebouwd. De trekker werd gebruikt bij het dorsen van tarwe en beviel goed. Bij het diepploegen was het resultaat minder door de gasgenerator.

Gasgenerator

Het gasgeneratorsysteem was niet nieuw. De Duitse ingenieur George Imbert experimenteerde al in de jaren twintig met houtgas installaties. En na 1933 nam vooral in Duitsland de belangstelling toe. Systeem Imbert was de meest gebruikte generator in Holland omdat Kromhout die in licentie bouwde. Eind 1940 liepen er al rond de 20.000 voertuigen in Holland met een houtgas generator. Met behulp van het proefstation werden vijfentwintig rupstrekkers in Delft van een turfgas generator voorzien.

Voor de chauffeurs was het rijden op een turfgaspot, het stoken en schoonhouden een vies karwei. Dagelijks moest je de filters kloppen, alles schoonmaken en de kachel weer helemaal opbouwen. Daar de Duitse overheersers belang hadden bij onze “graanschuur” waren er onderhandelingen over een proef met drie verschillende rupstrekkers. Er werd een Famo, een Hanomag en een Fiat uitgeprobeerd. Dit waren dieselvoertuigen en toen de gasolie was verbruikt stopte wegens schaarste van brandstof de proef.

Benzinetrekkers

Daardoor moesten de zaaiwerkzaamheden weer met de oude benzinetrekkers worden uitgevoerd. Van de nieuwe Fiat tractoren moest begin 1942 de kleppen reeds worden geschuurd. De overige gasgenerator rupstrekkers vergden voortdurend onderhoud. Hoewel de oorzaak deels moet worden toegeschreven aan de onervarenheid van veel chauffeurs en het systeem dat nog lang niet volmaakt was in 1942.

Enkele ervaren monteurs namen ontslag en gingen op voordeliger voorwaarden bij particulieren in de Wieringermeer aan gaspotten sleutelen. Als brandstof werd turf gestookt in de N.O.P. In Vollenhove werd baggerturf opgeslagen. Daar de turf meestal te vochthoudend was voor direct gebruik, moest deze eerst worden gedroogd. Hiervoor is de drogerij van de proefboerderij uit de Wieringermeer naar Vollenhove overgebracht. Het vochtgehalte van de turf, hetwelk bij ontvangst ongeveer 30% bedroeg moest worden teruggebracht tot onder de 20%.

Diefstal

Vijf oude Caterpillars gingen kapot. De omgebouwde Caterpillar dieseltrekkers waren in gebruik minder bedrijfszeker. Met een nieuwe Famo turfgasgenerator trekker werden proeven genomen die echter niet het gewenste resultaat opleverde. Andere oorzaken van de vrij vaak voorkomende stagnaties waren de kwaliteit van de brandstoffen, het moeilijk verkrijgen van onderdelen voor reparatie, het gebrek aan vervoersmiddelen en de veel in de N.O.P. gepleegde diefstallen van deze kostbare materialen.

De turfgas trekkers zijn steeds in gebruik doch de geleverde arbeidsprestatie was gering. Het aantal trekkers is te gering zodat een groot gedeelte van het trekkerwerk, zoals ploegen, door paarden moet worden verricht. Vijf nieuwe Fiat rupstrekkers werden ontvangen, waarbij met de opbouw naar vaste brandstof is begonnen. Ook werden enige gebruikte Caterpillars ontvangen welke op particuliere bedrijven in Nederland door gebrek van vloeibare brandstof buiten bedrijf waren gesteld.

Famo

De gebruikte verlopen olie werd geregenereerd maar was nog niet voldoende om in de behoefte te voorzien, zodat er trekkers moesten worden stilgezet. In 1943 deed de Directie Wieringermeer een beroep op de fa. Louis Nagel in Arnhem die via hun importbedrijf Duitse Famo rupstrekkers kon leveren. Het Junkers concern (de vliegtuigbouwer) in Dessau nam in 1936 de bouw van rupstrekkers over van Linke-Hoffmann-Busch en richtte daarna de Fahrzeug-Und Motorenwerke GmbH “FAMO” op.

De Duitse staat besliste dat Famo de enige fabriek was die nog rupsvoertuigen mocht maken voor civiel gebruik. Vanaf 1942 kwam de Famo Boxer op de markt met Imbert generator, vanaf de fabriek opgebouwd. Tot twee keer toe zijn vanaf mei 1943 vijftig stuks Famo Boxers geleverd. Het waren omgebouwde dieselmotoren op gas van 40 pk uit vier cylinders. Vanaf het spoor in Meppel werden de Famo’s over de weg naar Vollenhove gebracht.

Stuurwiel

De rupstrekker werd gestuurd door een stuurwiel in plaats van sticks. Het waren lompe grote trekkers met drie versnellingen vooruit en één achteruit. Echter ook de nieuwe Famo trekkers vertoonden gebreken. Ze waren van inferieure kwaliteit. Het fijnfilter van de gasgeneratoren functioneerde niet voldoende waardoor er overmatig slijtage aan cylinders en zuigers ontstond. Bij een vijftal proeftrekkers werden verbeterde filters aangebracht en was de slijtage normaal te noemen. De slijtage werd veroorzaakt door de slechte kwaliteit van glaswolfilters.

De Fiat trekkers vertoonden eveneens slijtage. In de werkplaats was het één klaagzang. Goed geschoold personeel was er ook nauwelijks, dus veel halfwas of leerlingen die met het zeer geringe materiaal te kwistig omgingen. Ook in 1945 kreeg de reparatie aan tractoren zo veel mogelijk voorrang. Veel materiaal was echter totaal versleten, zodat er geen betrouwbaar materieel was voor de oogst.

Daarbij kwam een voortdurend nijpend gebrek aan goede vakmensen. Er was een grote vraag naar paarden en motortractie. Na de bevrijding werden de Famo tractoren weer omgebouwd op vloeibare brandstof. Deze motoren waren echter aan het einde van hun krachten. Het werd hoog tijd dat nieuwe trekkers de plaats van de oude innamen. Wat te doen met de oude exemplaren? Na de oorlog werden de Caterpillars met benzinemotoren verkocht.

De Famo trekkers vonden allemaal nog een plaatsje voor 1500 gulden per stuk, evenals de Fiat trekkers, waarvan de besten nog 5000 gulden opbrachten. De rest werd versneden tot oud ijzer. Bij de Famo’s kan nog worden opgemerkt, dat verschillende ervan nog maar enkele honderden draaiuren hadden. Na deze aderlating, die echter uit minderwaardig materieel bestond, bleven er nog zo’n 25 rupstrekkers over van het merk Caterpillar. Hiervoor werden nieuwe onderdelen besteld, waarvan de krukassen wel de belangrijkste waren. Een tweetal Famo’s is in de vervening gebruikt in Drenthe. Eén van de Famo’s rust nu uit onder een afdakje van het smalspoormuseum in Erica, nabij Klazinaveen.

Kees & Co Bolle

www.keesbolle.nl

Nieuws

menu