Indië-veteraan Cor de Bruijn diep gekwetst door excuses Mark Rutte

Indië-veteraan Cor de Bruijn met het dagboek dat hij tijdens zijn tijd in Nederlands-Indië. Foto Cees Walinga

Emmeloord - De 95-jarige Indië-veteraan Cor de Bruijn die sinds kort in Emmeloord woont is diep gekwetst en beledigd door premier Mark Rutte die namens de Nederlandse regering in februari aan de Indonesische bevolking excuses aangeboden heeft voor stelselmatig en wijdverbreid geweld in de Indonesische Onafhankelijkheidsoorlog van 1945-1949 en daarmee de veteranen afschildert als oorlogsmisdadigers.

‘We krijgen zeventig jaar later nog eens een flinke trap na’, zegt De Bruijn (opgegroeid in Alphen aan den Rijn) op zijn kamer in het Revelsanthuis in Emmeloord. In zijn handen heeft hij een album met foto’s uit zijn Indiëtijd en een dagboek. De Bruijn stapte in april 1947 als dienstplichtig militair met 3000 man aan boord van troepenschip de Johan van Oldebarnevelt richting Nederlands-Indië. Hij had een opleiding van vier maanden tot seiner gehad op de kazerne in Wezep, maar die bleek in de Indische archipel van weinig waarde.

Slecht opgeleid

‘We waren zo slecht opgeleid en we wisten van niks. We konden daar geen artillerie gebruiken en daarom was mijn werk als seiner ook niet nodig. Ik kwam in het magazijn terecht.’ In de tijdgeest van het kolonialisme, waarin volgens De Bruijn de Nederlanders honderden jaren veel goeds hadden gedaan in Indië, werd de strijd om de kolonie te behouden aangegaan.

‘Het waren de heethoofden die riepen om vrijheid’, wijst De Bruijn naar de onafhankelijkheidsstrijd in Indië. ‘Mensen werden opgehitst door de Jappen om blanken en Indo’s weg te jagen dan wel te vermoorden in de zogenaamde Bersiapperiode. Het werd een oorlog van man tegen man in moeilijk terrein. Natuurlijk gebeuren er vreselijke dingen in een oorlog, maar om ons nu af te schilderen als verkrachters, moordenaars en oorlogsmisdadigers dat gaat toch te ver? We hebben er zo’n 6000 man verloren!’, vertelt De Bruijn, die zelf nooit een heeft hoeven te vechten. Het was moeilijk voor de soldaten’, stelt De Bruijn.

‘Je zou niet meer durven zeggen dat je in Indië bent geweest tegen je kinderen en kleinkinderen. Papa/opa wat heb je daar uitgevreten? Nou zulke wellustelingen waren we nu ook weer niet. Ik zeg daarmee niet dat er niks gebeurd is, maar nu wordt het wel heel erg eenzijdig belicht. Het was een guerrillaoorlog van alle kanten dreigde gevaar. Maar wij gingen voor orde en vrede’, stelt De Bruijn. ’Er is ook heel veel door de veteranen en het leger gedaan om hongerige mensen eten te brengen. Daar lees je niet veel over.’

Excuses

De regering ging voor haar excuses overigens niet over een nacht ijs. De laatste vijf jaar deden 115 experts onderzoek naar het geweld van Nederlandse militairen in de Indonesische Onafhankelijkheidsoorlog. Aanleiding daarvoor was het proefschrift ‘De brandende kampongs van generaal Spoor’ van Rémy Limpach die in 2015 promoveerde op extreem Nederlands geweld tijdens de onafhankelijkheidsoorlog. ‘Ja waarom werden er kampongs in brand gestoken? Om de vijand die zich daar verschool te verjagen; niet omdat het zo lekker brandde’, kaatst De Bruijn terug.

Rémy zegt in dagblad Trouw. ‘Het was niet ons doel om veteranen te besmeuren. Daarom kijken we juist naar die structureel extreem geweld bevorderende factoren: troepentekort, een slechte opleiding, onbekendheid met terrein en cultuur, verkeerde voorlichting over tegenstander en Indonesisch nationalisme, matige discipline. Dat ontslaat niemand, ook Jan Soldaat niet, van zijn eigen verantwoordelijkheid. Het verklaart wel veel. Ik kan niet uitsluiten dat ik in dezelfde omstandigheden eveneens over de schreef was gegaan. Oorlog haalt het slechtste in mensen naar boven.’

Twee jaar geleden bood koning Willem-Alexander ook al excuses aan voor het Nederlands geweld tijdens de oorlog in Nederlands Indië toen hij in Indonesië op staatsbezoek was. ‘Maar zijn er door de Indonesische regering excuses aangeboden voor de vreselijke dingen die zij hebben gedaan? Denk aan de Bersiap periode’, stelt De Bruijn tot slot een retorische vraag.

Cees Walinga

Nieuws

menu